 |
De Successiewet kent een aantal faciliteiten voor de verkrijging van ondernemingsvermogen en aanmerkelijkbelangaandelen via schenking of vererving. Deze zogenoemde bedrijfsopvolgingsfaciliteit betreft een kwijtscheldings- en uitstelfaciliteit. De kwijtscheldingsfaciliteit houdt in dat het verschuldigde successierecht (thans erfbelasting geheten) onder voorwaarden over 83% (tot 1 januari 2010 75%) van de waarde van de verkregen aandelen wordt kwijtgescholden. Daarbij zijn verkrijgingen van ‘objectieve’ ondernemingen met een waarde tot € 1 miljoen voor 100% vrijgesteld. Voor ondernemingen die meer waard zijn dan die € 1 miljoen, geldt voor het meerdere dat wordt verkregen de 83%-vrijstelling.
De uitstelfaciliteit houdt in dat voor het verschuldigde successierecht (veelal tariefgroep I tegen een tarief van 10-20%) over de overige 17% van de waarde van het vermogen of de aandelen in beginsel gedurende tien jaar rentedragend uitstel van betaling wordt verleend. Onder voorwaarden hoeft deze belasting pas na afloop van de tienjaarstermijn te worden voldaan.
Om in aanmerking te komen voor de bedrijfsopvolgingsfaciliteit moet aan diverse voorwaarden zijn voldaan. Zo moet de erflater of schenker voldoen aan in de wet genoemde bezitstermijn van het vermogen of aandelen. Daarnaast moet de verkrijger de aandelen minimaal 5 jaar in zijn bezit houden. Bij verkrijging van aandelen in een vennootschap, moet de betrokken vennootschap een onderneming drijven. Daarbij geldt als voorwaarde dat de waarde van de aandelen in de onderneming voor maximaal 5% uit beleggingsvermogen mag bestaan.
De Hoge Raad heeft onlangs arrest gewezen over de vraag of de bedrijfsopvolgingsfaciliteit van toepassing kan zijn op een pensioen/stamrecht-bv. De procedure betrof het jaar 2004 en voor dat jaar luidde de bedrijfsopvolgingsfacilteit iets anders dan sinds 1 januari 2010. De wijzigingen van 1 januari 2010 doen echter geen afbreuk aan de relevantie van het onderhavige arrest. Centraal voor de toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit was en is nog steeds dat bij een verkrijging van aandelen in een vennootschap die vennootschap een onderneming moet drijven. Over deze procedure is al eerder bericht nadat Rechtbank Den Haag op 20 november 2008 uitspraak had gedaan.
In de onderhavige procedure verkreeg een vrouw de aandelen van haar overleden vader van een bv. De vader bezat 50% van de aandelen in de bv. Tot de bezittingen van de bv behoorde een bedrijfspand dat werd verhuurd aan een gelieerde vennootschap (geen deelneming van de bv) waarin een installatiebedrijf werd uitgeoefend. De bv was ook bestuurder van laatstgenoemde vennootschap. Tot de schulden van de bv behoorden onder meer een pensioenverplichting en een stamrechtverplichting.
De dochter deed een beroep op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit, maar de inspecteur en de rechtbank wezen dat af. De rechtbank was van oordeel dat de bv voor wat betreft haar pensioen- en stamrechtverplichtingen geen onderneming dreef. Verder was de rechtbank van oordeel dat activiteiten gemoeid met de verhuur en bestuur van de werkmaatschappij niet uitgingen boven normaal vermogensbeheer. De vrouw ging daarop in sprongcassatie bij de Hoge Raad.
Daar stelde zij dat de rechtbank bij de beoordeling of recht bestond op de bedrijfsopvolgingsfaciliteit had verzuimd vast te stellen of de feitelijke werkzaamheid van de bv bestaat in het (on)middellijk beleggen van vermogen of daarmee overeenkomende werkzaamheden. Deze vaststelling staat ook wel bekend als de activiteitentoets. De Hoge Raad was van oordeel dat de rechtbank deze toets inderdaad niet had gedaan, maar gaf daarbij direct aan dat deze toets niet hoeft te worden gedaan als de bv niet beschikt over ondernemingsvermogen.
De Hoge Raad stelde voorop dat bij het begrip ondernemingsvermogen gaat om vermogen dat behoort bij een onderneming in materiële zin. De Hoge Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de bv geen onderneming dreef voor wat betreft haar pensioen- en stamrechtverplichtingen en ook voor wat betreft de verhuur van het pand en de bestuursactiviteiten van de bv. Deze oordelen van de rechtbank waren feitelijk van aard en tegen zulke oordelen staat geen beroep in cassatie open. De Hoge Raad verklaarde daarom het beroep in cassatie ongegrond.
Bron: Hoge Raad, 9-7-2010, nr. 08/05311
|